Vagevuur (2) volgens de vroege Kerk

Nu het vervolg op Vagevuur (1) wat is het, is het Bijbels?

processie-in-catacombe-van-Callistus

Een processie in de catacomben van de H. Callistus in Rome. De catacomben bevatten inscripties van gebeden voor de doden.

Dit is het tweede deel van drie posts over dit onderwerp.

Geschiedenis van het geloof in het vagevuur

Vanaf het vroegste begin van de Kerk geloofde men in een staat na de dood waarin zielen van mensen die in vriendschap met God zijn gestorven tijdelijk verblijven, en waarin zij worden gezuiverd om uiteindelijk God van aangezicht tot Aangezicht te mogen zien. Er werd gebeden voor de overledenen, zoals uit vroeg-christelijke inscripties blijkt. Dit heeft alleen zin als het mogelijk is dat iemands ziel na diens overlijden van staat kan veranderen en het impliceert dus geloof in een staat van loutering.

Tot aan de Reformatie werd dit geloof nooit op brede schaal in twijfel getrokken. Enkelen, waren de vierde-eeuwse Aëris van Pontus en de twaalfde-eeuwse katharen. Zij weken ook anderszins ver van het orthodoxe geloof af (ook zoals dat nu door protestanten wordt aangehangen).

Vroege kerkvaderen over het vagevuur
Kerkvaderen als de heilige Justinus, Ephraem, Chrysostomus en Augustinus schreven in de eerste vijf eeuwen van onze jaartelling over gebed voor de doden en de loutering na het overlijden. Een greep uit de teksten, met het jaartal tussen vierkante haakjes:

“Wat dan? Dat de zielen der vromen weliswaar op een betere plaats verblijven, van de zondigen en slechten echter op een slechtere, in afwachting van de tijd van het oordeel. Zo sterven eerstgenoemden niet meer, wanneer zij Gode gewaardig geoordeeld zijn, maar de anderen worden gestraft, wanneer zij Gode gewaardig geoordeeld zijn, maar de anderen worden gestraft zolang God wil dat zij daar zijn en gestraft worden.”
H. Justinus in zijn Dialoog met de jood Tryphon, 5 [~150]

“Op de jaardag van hun geboorte dragen wij voor de overledenen offers op.”
Tertullianus in “De Corona”, 3 [211]

“Weest mijner indachtig, broeders, wanneer mijn dertig dagen voorbij zijn. De overledenen worden immers geholpen door het offer dat de levenden opdragen….. 78: “Als de mannen van Mathatias, die de geheimen in stand hielden, voor hun legers, zoals gij leest, door offers de misdaden uitboetten van hen die in de oorlog gevallen waren en zich goddeloos gedragen hadden, hoeveel te meer delgen dan de priesters des Zoons door hun heilige offers en door de gebeden hunner lippen de misdaden der overledenen uit!”
H. Ephraem in “Testamentum”, 72 [vierde eeuw]

“Wanneer wij gelijkerwijze ook voor de overledenen, ook al zijn zij zondaars, gebeden aan God opdragen, doen wij geen nutteloos werk, maar dragen Christus, die voor onze zonden geslachtofferd is, ons beijverend God zowel voor hen als voor ons gunstig te stemmen.”
H. Cyrillus van Jerusalem in “Catecheses”, 23, 10 [350]

“Wat kan er nuttiger zijn dan het voorlezen der namen van de overledenen? Wat is er geschikter en bewonderenswaardiger, namelijk dat de aanwezigen zich overtuigen, dat de doden leven en niet in het niet zijn teruggestort, maar bestaan en bij de Heer leven; alsook dat een zeer godsdienstige lofrede gehouden worden, waardoor zij hoop hebben die voor hun broeders bidden als waren zij naar buiten vertrokken? De gebeden die voor hen gestort worden zijn immers nuttig, hoewel zij niet alle schuld uitwissen.”
H. Epiphanius in “Adversus haereses Panarium”, 75: 8 [~374]

“Hij kan immers geen deel hebben aan de godheid, als niet het zuiverend vuur de smet die aan het gemoed kleeft gezuiverd heeft.”
Gregorius van Nyssa in “Oratio de mortuis” [382]

“Niet zonder reden is door de apostelen door wetten bepaald, dat bij de vererenswaardige en vreeswekkende geheimen de gedachtenis geschiede van hen die ontslapen zijn. Zij wisten, dat hun hieruit veel voordeel, veel nut, deelachtig werd. Hoe zullen wij God immers niet door ons gebed verzoenen op dat tijdstip, dat het gehele volk en de gehele menigte priesters met uitgestrekte handen staat, en dat vreeswekkende slachtoffer aanwezig is? En wel voor hen die in geloof ontslapen zijn.”
H. Joannes Chrysostomus in zijn homilie op de brief aan de Philippenzen, 3, 4 [387]

De H. Augustinus [354-430]  schrijft er op diverse plaatsen over:

H. Augustinus van Hippo

H. Augustinus van Hippo

“Er kan niet aan getwijfeld worden, dat de doden geholpen worden door de gebeden van de heilige Kerk, en door het heilzaam Offer, en door de aalmoezen, die voor hun ziel uitgedeeld worden, opdat God barmhartiger met hen handele dan hun zonden verdiend hebben. Dit is immers door de Vaders overgeleverd en neemt de gehele Kerk in acht, dat voor hen die in gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus gestorven zijn, gebeden wordt, wanneer hun gedachtenis bij genoemd Offer op hun vaste plaats geschiedt, en erbij gezegd wordt, dat dit voor hen ook wordt opgedragen. Wanneer er dan om hen te gedenken werken van barmhartigheid vereist worden, wie zal er dan aan twijfelen, dat zij bijgestaan worden, voor wie niet zonder vrucht tot God gebeden gericht worden? Er behoeft volstrekt niet aan getwijfeld te worden, dat dit de overledenen ten goede komt; maar aan dezulken die vóór hun dood zó geleefd hebben, dat hun dit na hun dood ten nutte kan zijn.”
In “Sermo”, 172, 2, 2

“Tijdelijke straffen lijden sommigen slechts in dit leven, anderen na de dood, anderen zowel nu als dan, maar vóór dat allerstrengste en laatste oordeel. Niet allen echter, die na hun dood tijdelijke straffen verduren, komen in de eeuwige straffen, die er na dat oordeel zullen zijn.”
In “De civitate Dei”, 21, 13

“Men houde aan, dat er slechts zuiverende straffen zullen zijn vóór dat laatste en vreselijke oordeel.”
In “De civitate Dei”, 21, 16

“In de boeken der Makkabeeën lezen wij, dat voor overledenen een offer werd opgedragen. Maar ook al werd het volstrekt nergens in de H. Schrift gelezen, dan is er het niet geringe gezag van de gehele Kerk, dat in deze gewoonte helder uitschijnt, waar bij de gebeden van de priester, die tot de Heer aan het altaar gestort worden, ook de aanbeveling der doden plaats heeft.”
In “De cura pro mortuis gerenda”, 1, 3

“Zuiver mij, Heer, in dit leven, opdat ik vrij blijve van het vuur, dat bestemd is om de zielen in de andere wereld te zuiveren.”
In zijn commentaar op Ps. 37

“en men mag niet loochenen, dat de zielen der overledenen door de godsvrucht van hun dierbare overlevenden opgebeurd worden, wanneer voor hen het offer van de Middelaar wordt opgedragen, of aalmoezen in de Kerk gegeven worden. Maar hun komt dit ten goede, die, toen zij leefden, verdiend hebben, dat dit hun later ten goede kon komen.”
In “Enchiridion”, 110

(Nederlandse vertalingen genomen van deze site)

Vervolg: Vagevuur (3) Middeleeuwen, Reformatie en daarna

21

Eén reactie naar “Vagevuur (2) volgens de vroege Kerk”

  1. Mattheus zegt:

    Erg informatief , zeker voor een nieuwe katholiek als mij :)

Reageer